Truckerslatijn - De verstekeling

Perpignan September 1986

Om deze anekdote goed te kunnen begrijpen, moet je weten dat de meeste douaneambtenaren verzot zijn op een uitstapje.
Vooral in de zomer als het mooi weer is kan het voor hen een verademing zijn om even achter dat bureau vandaan te vluchten, om in de frisse buitenlucht iets te gaan controleren. De douaneambtenaren aan de Spaans-Franse grens Perpignan vormden daarop geen uitzondering. Toen ik dus met twee boten geladen vanuit Spanje aan de Franse kant van de grens kwam, meldden zich zelfs twee ambtenaren om de boten even uitgebreid te gaan controleren.

Het gaat hun in de eerste plaats om er even uit te zijn, maar ook hun aangeboren nieuwsgierigheid speelt daarbij een niet onbelangrijke rol. Ik was geladen met twee zeiljachten die toebehoorden aan particuliere eigenaren en dus konden ze ongestraft gaan snuffelen in andermans privé spulletjes. Waar ze dan naar op zoek waren is me tot op heden nog steeds een raadsel, maar je moet in zo'n geval lijdzaam toe zien hoe ze alle deurtjes en laden open trekken en soms zelfs het pannenkoeken meel leeggooien in het kleine gootsteentje om te kijken of er misschien wat anders in zit dan wat er op het pak staat.
Maar goed wat ik eigenlijk vertellen wilde, deze keer kwamen ze dus met z’n tweeën, één van hen in het bezit van een aluminium ladder. Eerst klom er één in de boot die op de aanhanger stond, toen pakte de ander de ladder en plaatste deze tegen de tweede boot die op de motorwagen stond en ging daar zijn nieuwsgierigheid bevredigen.
Ik liep in die tussentijd even naar een stalletje waar je verse broodjes en koffie kon kopen en kocht er nog wat extra broodjes voor onderweg. Nadat ik mijn koffie had opgedronken, kuierde ik op mijn gemak terug naar mijn combinatie.
Daar aangekomen zag ik dat één ambtenaar alweer naast de wagen stond en de ladder naast mijn motorwagen op de grond lag. Ik vroeg hem of de controle klaar was, hij knikte bevestigend en gebood me mee te lopen naar binnen waar mijn papieren nog op zijn bureau lagen. Daar kreeg ik de eigenaarspapieren terug en nog een laatste stempel op mijn loopbriefje en werd mij verteld dat ik kon gaan.

Niet veel later was ik al weer op weg naar de volgende grens. Deze lag ruim 1000 km verderop. Toen ik zo'n 5 minuten aan het rijden was en net weer op de autobaan reed, werd ik ingehaald door een druk gebarende man in een lelijk eendje die me met moeite kon inhalen. Ik begreep uit zijn heftige gebaren dat ik naar de vlucht strook moest gaan. Misschien zit er wel een lekke band onder de aanhanger dacht ik bezorgd, want dat merk je niet zo snel met dubbel lucht en zo'n lichte polyester boot erop. Dus liet ik mijn gas los, stuurde de vluchtstrook op en parkeerde daar het hele circus.
De man in de lelijke eend stak zijn duim omhoog vanuit zijn opgerolde dakje, gaf gas en sputterde hikkend en rokend verder. Toen dacht ik bij me zelf: zal die kerel me nou in de maling genomen hebben om mij voorbij te kunnen rijden met die eend? Hij had verdomd veel moeite om met dat knetterende orgel langs mijn cabine te komen met die harde wind die hij op die plek te verduren kreeg.
Ik voelde me ineens behoorlijke in de zeik genomen en maakte aanstalten om weer te gaan rijden, toen ik ineens een zwak hulp geroep achter me hoorde. Ik stapte nieuwsgierig uit en liep op het geluid af en u raadt het al hé, inderdaad… de douane beambte. Hij zat heftig gebarend boven in de kuip van de zeilboot die op de aanhanger stond zonder zijn pet, want die was van zijn hoofd gewaaid toen hij zijn koppie boven de kuip uit stak. Hij zag er een stuk minder heldhaftig uit zo zonder pet, maar hij schold me desondanks de huid vol. Ik kon ondanks de ernst van de zaak mijn lachen niet houden en daar werd de man alleen nog maar kwader door. Ik zette mijn kleine trappetje op de laadbak en zo kon hij voorzichtig onderwijl ik het vast hield naar beneden klauteren, onder het uiten van de meest gemene verwensingen naar mijn persoontje. Ik keek hem lachend aan en zei: "Ik kan hier niet draaien om je terug te brengen dus zoek het maar uit."
Hij liep met zijn kwaaie blote kop dwars over de autobaan en klom houterig over de twee middelste vangrails, draaide zich daar nog één keer om en stak woedend zijn vuist omhoog. Ik zag dat hij op die andere autobaan autoritair een auto tot stoppen dwong en zonder pardon instapte, maar toen was ik alweer aan het rijden. Dit gelooft geen mens dacht ik bij me zelf. Ik zal het opschrijven zodat jullie zelf kunnen oordelen, maar het is en blijft de waarheid. En dat zijn snor vol witte bakpoeder zat, dat moeten zijn collega's hem maar vertellen want ik vond het hem wel leuk staan.

Proost mensen doe mij maar een pannenkoek met stroop.